News

Big brother is watching you

9 juli 2021

Een vrouw is vanwege ziekte uitgevallen en krijgt een inkomen vanuit de ziektewet. Een jaar na deze gebeurtenis is de vrouw door haar werkgever op staande voet ontslagen. Dit ontslag volgt nadat de werkgever een bedrijfsrechercheur heeft ingeschakeld die constateert dat mevrouw andere inkomsten heeft naast de uitkering vanuit de ziektewet. Mevrouw heeft bij de rechter een verzoek ingediend om het ontslag te vernietigen. De rechter heeft dit verzoek verworpen. Mevrouw gaat in hoger beroep tegen het onderzoek van het recherchebureau. Wat oordeelt het Hof?

Inkomsten naast een uitkering

De bedrijfsrecherche heeft in opdracht van de werkgever verschillende observaties gedaan. Tijdens deze observaties heeft de bedrijfsrecherche gezien dat mevrouw een theetuin heeft. Ook hebben zij gezien dat mevrouw hier gasten ontvangt en daar koffie, thee en gebak aan verkoopt. Dit is in strijd met het contract van mevrouw en de uitkering waar zij vanuit de ziektewet recht op heeft. Van deze observatie is een verslag gemaakt en deze is aan de werkgever van mevrouw gegeven. Als gevolg van dit onderzoek is mevrouw op staande voet ontslagen.

Reden Hoger beroep

Mevrouw trekt de rechtmatigheid van het onderzoek wat de bedrijfsrecherche heeft gedaan in twijfel. Mevrouw stelt dat zij haar onrechtmatig hebben behandeld, haar privacy geschonden hebben en dat zich hebben gemengd in haar privéleven. Dit zou in strijd zijn met artikel 17 internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), artikel 10 van de grondwet en de artikelen 6 tot en met 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) welke in de periode van het voorval van kracht was. In het hoger beroep eist mevrouw een geldbedrag van de bedrijfsrechercheur, vernietiging van de eerdere beslissing van de rechter en dat de vernietiging van haar contract ongedaan wordt verklaart.

Beoordeling

Het hof acht het bewezen dat de bedrijfsrecherche niet zijn boekje te buiten ging in het observeren van mevrouw. De observaties zijn gedaan vanaf een openbare weg, de beelden kunnen niet als ‘onbehoorlijk’ bestempeld worden maar dragen bij aan het onderzoek. Ten slotte is het rapport neutraal geschreven. De rechter geeft aan dat artikel 17 van het IVBPR, artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de grondwet niet zijn bedoeld om absolute bescherming te bieden tegen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Deze artikelen zijn verwerkt in de wet en hebben uitzonderingen welke verder zijn uitgewerkt in de Wbp. Omdat de bedrijfsrechercheur in het bezit is van een vergunning van het ministerie van Justitie en Veiligheid met een keurmerk, beroept de bedrijfsrechercheur zich op de privacygedragscode van sector particuliere onderzoeksbureaus. Onder artikel 25 van de Wbp mag een organisatie vragen aan het College Bescherming Persoonsgegevens om een uitzondering (gedragscode) waarin een handeling of observatie toch onder de wet kan vallen. Dit is gedaan voor de sector particuliere onderzoeksbureaus en daarom valt de observatie onder de wet.


Het hoger beroep wordt in zijn geheel verworpen door de rechter. Hoewel mevrouw vertelt veel last te hebben we de inbreuk op haar privacy, wil dit nog niet zeggen dat deze inbreuk onwettig is. De bedrijfsrecherche heeft in overeenkomst met de wet gehandeld en kan dus niet verantwoordelijk gehouden worden voor inbraak in de persoonlijke levenssfeer.

Rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2020:6021, 200.253.510/1 (Arnhem-Leeuwarden Juli 28, 2020).

DEEL DIT

arrest