News

Dakdekker valt van ladder – werkgever betwist aansprakelijkheid en wijst op alledaagse handeling

8 mei 2020

In deze casus gaat het om een dakdekker die als ingeleende werknemer werkzaam is voor een bouwbedrijf dat zich bezighoudt met dakrenovatie en nieuwbouw van hellende daken. Op een ochtend is de werknemer tijdens het afdalen van een ladder gevallen en daarbij op zijn knie terechtgekomen. De ambulance kwam direct ter plaatse om de werknemer te onderzoeken, en zag op dat moment geen noodzaak voor verder onderzoek of behandeling. Later die dag is de werknemer alsnog met zijn leidinggevende naar een huisarts gegaan om zijn aanhoudende (pijn)klachten aan de knie te onderzoeken. Hij moest vervolgens 2 weken rust nemen. Na deze twee weken heeft de werknemer zijn werkzaamheden weer hervat. Twee dagen later blijkt de werknemer toch te veel pijn te hebben aan zijn knie, hij is sindsdien niet meer aan het werk geweest.

Eis werknemer

De werknemer eist dat de werkgever aansprakelijk wordt gesteld voor het door de werknemer opgelopen letsel en de daaruit voortvloeiende schade. Hij moest namelijk de ladder op gaan, wat onder zijn gebruikelijke werkzaamheden valt. Hij stelt dat de werkgever geen maatregelen heeft getroffen om dit ongeval te voorkomen, en dat hij hem onvoldoende heeft geïnstrueerd hoe hij veilig een ladder dient af te dalen.

Verweer werkgever

De werkgever is van mening dat hij niet aansprakelijk is, het gebruik van een ladder is een alledaagse handeling met een huis-, tuin- en keukenkarakter. Hij beroept zich hierbij op een ander ongeluk ongeval waarbij een werknemer ook van de trap is gevallen. In deze zaak is de werkgever ook niet aansprakelijk gesteld. Hij stelt dat het afdalen van een deugdelijke trap niet een zodanig risico is dat de werkgever vanwege zijn zorgplicht maatregelen had moeten treffen of aanwijzingen had moeten geven die redelijkerwijs nodig waren om dergelijke ongevallen te voorkomen. De werkgever heeft immers gezorgd voor PBM’s en er waren allerlei veiligheidsmaatregelen getroffen, zoals het aanbrengen van val- en dakrandbeveiliging die door de inspectie SWZ is goedgekeurd. Hij stelt simpelweg dat er geen maatregelen te nemen zijn tegen het eenvoudig misstappen bij het afdalen van een ladder.

Conclusie rechter

Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) acht de rechter de werkgever in eerste instantie altijd aansprakelijk voor de schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever kan aantonen dat er sprake is van roekeloosheid van de werknemers, of dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan .

De rechter stelt vast dat er geen sprake is van opzet of roekeloosheid van de werknemer. Ondanks de deugdelijke trap en het feit dat de werknemer werkschoenen droeg, heeft de werkgever niet aan zijn zorgplicht voldaan. De werkgever heeft zijn werknemers namelijk geen instructies gegeven over hoe zij veilig een trap dienen te gebruiken. Dit terwijl het vallen van een trap in de RI&E van werkgever als beroepsrisico staat opgenomen. De rechter benadrukt dat hij de werkgever begrijpt wanneer zij stelt dat het uitglijden bij het afdalen van een ladder in de praktijk niet of nauwelijks te voorkomen is. Toch weegt de rechter zwaar aan het feit dat instructies geven zodanig eenvoudig is, dat de werkgever dat niet mag nalaten. Ook vindt de rechter het belangrijk dat de werkgever in algemene zin aansprakelijk is voor schade die werknemers lijden bij het verrichten van hun werkzaamheden. De rechter oordeelt daarmee dat de werkgever aansprakelijk is voor het opgelopen letsel van werknemer.

Bron: Rechtspraak.nl – ECLI:NL:RBNHO:2020:297 – Rechtbank Noord-Holland, 08-01-2020
DEEL DIT