News

Moet een verdiepende RI&E getoetst worden?

15 mei 2019

Er bestaan zeer uiteenlopende werkwijzen om de RI&E werkbaar en beheersbaar te houden. Meestal wordt gekozen voor één overkoepelende RI&E/hoofddocument[1] die zich richt op de belangrijkste wettelijke eisen uit de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet), en wordt voor de specifieke onderwerpen een verdiepende/aanvullende RI&E uitgevoerd. Toetsing van deze verdiepende/aanvullende RI&E’s wordt vaak niet uitgevoerd, sterker nog, er lijkt niet eens aan te worden gedacht.

Wat zijn nu de eisen omtrent toetsing van verdiepende/aanvullende RI&E’s en wat kunnen de gevolgen zijn voor adviseurs en bedrijven als deze eisen niet worden nageleefd? Daarop wordt hieronder ingegaan.

Wettelijk kader

Sinds 1 januari 1994 zijn alle werkgevers verplicht tot het hebben van een RI&E. Deze verplichting is te vinden in artikel 5 van de Arbowet en houdt in dat de werkgever schriftelijk vastlegt welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt, waarbij een beschrijving wordt gegeven van de gevaren en de risico-beperkingen maatregelen, en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers.

In de wet is verder niet voorgeschreven hoe en door wie de RI&E moet worden uitgevoerd, zodat het erop neer komt dat iedereen een RI&E mag uitvoeren. Lees ook: Kennis van de RI&E. Uiteraard blijft de werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor een juiste invulling van de wettelijke verplichtingen. Om ervoor te zorgen dat de RI&E wel op een voldoende niveau wordt uitgevoerd heeft de wetgever bepaald dat deze getoetst moet worden. Hoewel de RI&E door iedereen kan worden uitgevoerd, is in artikel 14, eerste lid onder a, van de Arbowet bepaald dat de toetsing moet geschieden door een gecertificeerd deskundige (kerndeskundige) of bedrijfsarts. Bij deze toets wordt gecontroleerd of het juiste RI&E-instrument is gebruikt en of voldoende diepgang is bereikt. Toetsen is dus een middel om na te gaan of de risico’s in het bedrijf op een juiste wijze zijn geïnventariseerd en geëvalueerd.

Er zijn twee uitzonderingen op de wettelijke verplichting om een RI&E te laten toetsen. Vrijstelling geldt voor: (a) bedrijven die werknemers arbeid laten verrichten voor een tijdsduur van in totaal ten hoogste 40 uur per week, en (b) bedrijven met maximaal 25 werknemers die voor het opstellen van de RI&E gebruik maken van een door het Steunpunt-RI&E erkend RI&E-instrument (branche-RI&E’s).[2]

Wanneer geen branche-RI&E beschikbaar is, zal de werkgever een ander instrument moeten kiezen. Hiervoor zijn verscheidene commerciële producten verkrijgbaar. Vrijwel alle adviesbureaus die RI&E’s uitvoeren hebben een eigen instrument beschikbaar, al dan niet gebaseerd op gestandaardiseerde instrumenten. Daarnaast gebruiken interne veiligheidskundigen ook een scala aan zelfgemaakte instrumenten.

Gelaagdheid RI&E-systeem

Bij veel bedrijven is sprake van een gelaagdheid in de RI&E-structuur. Er is een hoofddocument waarin algemene Arbowettelijke verplichtingen en risico’s worden beschreven. Wanneer alle aanwezige risico’s in dit ene hoofddocument zouden worden beschreven, zou dit leiden tot een onleesbaar product van vele pagina’s. De gemiddelde lezer en gebruiker zal dan over het algemeen afhaken, waardoor de risico’s en beheersmaatregelen niet bekend raken. Daarom worden in het hoofddocument alleen globale risico’s en vragen gesteld. Wanneer deze nadere uitwerking behoeven, worden meestal verdiepende/aanvullende RI&E’s uitgevoerd.

Sommige verdiepende RI&E’s volgen al vanuit een verplichting van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit), zoals voor BRZO-bedrijven[3] en tijdens het bouwproces[4]. Veelal zal deze verdieping puur op praktische gronden worden genomen. De uitwerking kan op verschillende wijzen plaatsvinden. Bijvoorbeeld door het opstellen van functie-RI&E’s, Taak Risico Analyses, Machine-RI&E‘s, gebouw-RI&E’s, enzovoort.

Normaliter wordt het hoofddocument netjes getoetst. Vaak al in de fase dat net weer is gestart met een update van de hele RI&E-systematiek, of wanneer voor het eerst wordt begonnen met het opstellen van een RI&E binnen het betreffende bedrijf. Vaak zijn dan nog geen verdiepende/aanvullende RI&E’s beschikbaar, of zijn deze verouderd. In het hoofddocument worden vervolgens adviezen gegeven om de verdiepende/aanvullende RI&E’s op te stellen of bij te werken.

Nadat het hoofddocument gereed is gekomen en is getoetst, zal dan gestart moeten worden met het opstellen en uitvoeren van de verschillende verdiepende/aanvullende RI&E’s. Hiervoor kan dan de veiligheidsadviseur of preventiemedewerker weer zelf kiezen uit verschillende mogelijkheden en structuren. Echter, deze verdiepende/aanvullende RI&E’s worden dan vaak niet meegenomen in de toetsing. Een bedrijf kan daardoor dus gebruik maken van een keurig getoetst hoofdocument, en niet getoetste verdiepende/aanvullende RI&E’s. Deze praktijk lijkt in strijd met de Arbowet.

De wet maakt geen onderscheid in de verschillende soorten RI&E-instrumenten. Artikel 5 Arbowet geeft aan dat alle risico’s schriftelijk moeten worden geïnventariseerd en geëvalueerd. Artikel 14, lid 1a Arbowet geeft aan dat deze RI&E vervolgens getoetst moet worden. Op basis hiervan kan dan ook niet anders dan worden geconcludeerd dat ook verdiepende/aanvullende RI&E’s getoetst zouden moeten worden, omdat anders niet aan bovengenoemde artikelen kan worden voldaan. Bovendien is de doelstelling van de wet om te borgen dat de risico’s binnen een bedrijf op een degelijke manier worden geïnventariseerd en beheerst en hier wordt aan voorbijgegaan indien een verdiepende RI&E niet wordt getoetst.

Gevolgen bij niet opvolgen toetsingsverplichting

Voor wat betreft de vraag wat de gevolgen zijn bij het niet opvolgen van een toetsingsverplichting, moet het volgende voorop worden gesteld dat de werkgever altijd zelf verantwoordelijk blijft voor het juist uitvoeren van de RI&E, of dit nu een verdiepende/aanvullende RI&E is of niet. Daarbij stelt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zich op het volgende standpunt:

“De werkgever is verplicht om de risico’s die de arbeid voor de werknemers met zich meebrengen, schriftelijk vast te leggen in een RI&E. De aangewezen toezichthouder controleert of er een risico-inventarisatie en -evaluatie aanwezig is en of daaraan is meegewerkt door een gecertificeerde deskundige (toets en advies). De toezichthouders hebben niet tot taak om de kwaliteit van de risico-inventarisatie en -evaluatie op zichzelf te toetsen. In eerste instantie worden de regels voor de kwaliteit van de risico-inventarisatie en -evaluatie vooral bepaald door de verplichtingen van de werkgever op het punt van de risico-inventarisatie en -evaluatie die in de Arbowet worden gesteld, waaronder medewerking van een gecertificeerde deskundige. Deze behoort de werkgever daarover onafhankelijk en deskundig te adviseren.

De toezichthouders zullen optreden wanneer er belangrijke risico’s zijn en de werkgever deze niet heeft opgelost, zo nodig met externe deskundige hulp. Door de Inspectie SZW kan een eis tot naleving worden gesteld indien niet of niet goed wordt voldaan aan artikel 5 van de Arbowet. “[5]

Kortom, de Inspectie SZW zal er dus in eerste instantie vanuit gaan dat de kerndeskundige de toetsing op een juiste wijze heeft uitgevoerd.

Dat neemt evenwel niet weg dat  het niet naleven van de artikelen 5 en 14, eerste lid, van de Arbowet een overtreding kan opleveren.[6] Het niet correct toetsen van een RI&E levert dus een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 83.000.[7] De hoogte van de boete wordt echter bepaald aan de hand van een berekening volgens de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving. Volgens deze berekening kan de boete slechts tot maximaal € 1500 oplopen.[8] Overigens blijft na opleggen van een boete nog steeds de verplichting bestaan om een toetsing uit te voeren.

Voordat een dergelijke boete wordt opgelegd zal doorgaans eerst een eis tot naleving worden gesteld. In het geval van toetsing kan dus worden verwacht dat geëist zal worden dat de betreffende RI&E alsnog getoetst wordt. Pas als deze eis en de daarbij gegeven voorwaarden niet tijdig worden opgevolgd zal tot boeteoplegging worden overgegaan.

Zolang niet aannemelijk is dat de overtreding zal leiden tot ernstig letsel aan personen (zie voor dit soort ernstige risico’s artikel 9.9a van het Arbobesluit) zal niet strafrechtelijk worden vervolgd. Alleen het niet laten toetsen van een RI&E zal doorgaans dan ook geen reden zijn voor strafrechtelijke vervolging.

Tot slot

Toetsen van de verdiepende/aanvullende RI&E lijkt gelet op bovenstaande artikelen uit de Arbowetgeving verplicht en het niet naleven hiervan kan in theorie een bestuurlijke boete opleveren. Uiteraard betekent dat niet dat voortaan elke TRA, functie-RI&E en andere RI&E steeds weer getoetst moet worden. Mijns inziens zal wel het complete RI&E-systeem binnen een bedrijf getoetst moeten worden. Daarbij zal goed bezien moeten worden of de verschillende RI&E’s op elkaar aansluiten en voldoende diepgang behalen. Dit zodanig dat alle aanwezige en relevantie risico beheerst zullen worden. Dat is tenslotte ook het uitgangspunt van artikel 5 Arbowet. Zolang vervolgens de getoetste instrumenten en systematiek gevolgd wordt zal toetsing van de afzonderlijke instrumenten en documenten niet noodzakelijk zijn.

Over deze conclusie kan worden gediscussieerd en dat is ook de bedoeling. Voor alle betrokkenen is het belangrijk dat er niet zonder meer wordt nagelaten om verdiepende/aanvullende RI&E’s te toetsen, zonder dat eerst wordt nagedacht over de vraag of dit wel is toegestaan en wenselijk is.

Bas Wolvers
Docent/Adviseur

[1] Voor het leesgemak wordt verder in dit artikel alleen gesproken van “hoofddocument”.
[2] Artikel 14, twaalfde lid onder a, Arbowet.
[3] Artikel 2.5e, eerste lid onder c, Arbobesluit.
[4] Artikel 2.28, tweede lid onder c, Arbobesluit.
[5] E-mail van Afdeling Publiek en Informatie, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
[6] Artikel 33, eerste lid, Arbowet.
[7] Artikel 33, eerste lid, Arbowet juncto artikel 34, derde lid, Arbowet juncto artikel 23, vierde lid, Wetboek van Strafrecht.
[8] Overtreding artikel 14, lid 1 Arbowet, normbedrag categorie 3 (€1500), overige overtreding, bij meer dan 500 werknemers. Bij minder werknemers zal een lagere boete worden opgelegd.

 

DEEL DIT